programmaboekje
fr
Alexandre Tharaud & Jean-Guihen Queyras / Marco Borggreve

Alexandre Tharaud & Jean-Guihen Queyras

Souvenirs

programma

Francis Poulenc (1899-1963)

Suite française, d’après Claude Gervaise, op. 80 (1935)

I. Bransle de Bourgogne
II. Pavane
III. Petite marche militaire
IV. Complainte
V. Bransle de Champagne
VI. Sicilienne
VII. Carillon

 

Johannes Brahms (1833-1897)

Cellosonate nr. 1 in e, op. 38 (1862-65)

I. Allegro non troppo
II. Allegretto quasi Menuetto
III. Allegro

 

PAUZE

 

Alban Berg (1885-1935)

Vier Stücke, op. 5 (1913)

I. Mäßig
II. Sehr langsam
III. Sehr rasch0
IV. Langsam

 

Franz Schubert (1797-1828)

Uit de Arpeggionesonate in a, D 821 (1824):

I. Adagio

 

Benjamin Britten (1913-1976)

Uit de Cellosonate in C, op. 65 (1961):

I. Dialogo. Allegro
V. Molto perpetuo. Presto

 

Marin Marais (1656-1728)

Uit de Suite in d (Deuxième livre de pieces de viole) (1701):

I. Prélude

 

Claude Debussy (1862-1918)

Uit de Cellosonate (1915):

I. Prologue. Lent, sostenuto e molto risoluto

 

Gabriel Fauré (1845-1924)

Sicilienne, op. 78 (1898)

Papillon, op. 77 (1885)

 

Johannes Brahms (1833-1897)

Uit de Hongaarse dansen, WoO 1 (1869, transcr. Queyras & Tharaud):

I. Allegro molto
VII. Allegretto – Vivo
V. Allegro – Vivace

 

Einde van het concert: +/- 22:00

artisten

Jean-Guihen Queyras

De Franse cellist Jean-Guihen Queyras onderscheidt zich door zijn nieuwsgierigheid, veelzijdigheid en volledige toewijding aan de muziek. Hij is zowel vertrouwd met oude muziek en klassiek repertoire als met hedendaagse muziek, zoals blijkt uit zijn samenwerkingen met oudemuziekensembles als het Freiburger Barockorchester en Akademie für Alte Musik Berlin en met hedendaagse componisten als Bruno Mantovani, Michael Jarrell, Thomas Larcher en Tristan Murail. Als kamermuzikant was Queyras een van de oprichters van het Arcanto Quartett, vormt hij een vast trio met Isabelle Faust en Alexander Melnikov en treedt hij regelmatig in duo op met Alexandre Tharaud. Daarnaast werkte hij als solist samen met orkesten als het Orchestre de Paris, Mahler Chamber Orchestra, London Symphony Orchestra, Gewandhausorchester Leipzig en Philadelphia Orchestra, en met dirigenten als Philippe Herreweghe, Iván Fischer, John Eliot Gardiner, Yannick Nézet-Séguin en Maxim Emelyanychev. Voor Harmonia Mundi realiseerde hij onder meer twee opnames van Bachs Cellosuites en nam hij de integrale cellosonates van Beethoven en celloconcerto’s van Schumann, Dvořák en Elgar op. Queyras bespeelt een cello van Stradivarius (Cremona, 1707), die hem beschikbaar wordt gesteld door Canimex Inc. (Drummondville, Québec).

 

Alexandre Tharaud

De Franse pianist Alexandre Tharaud geldt al meer dan 25 jaar als een uniek figuur binnen de klassieke muziek. Behalve in zijn repertoire toonde hij zijn veelzijdigheid in samenwerkingen met theatermakers, dansers, choreografen, schrijvers en filmmakers, naast allerlei muzikanten buiten de klassieke traditie. Als solist speelde hij concerto’s met onder meer het Orchestre de Paris, het Koninklijk Concertgebouworkest, Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, London Philharmonic, Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra en Cleveland Orchestra. Solorecitals brachten hem op de podia van de Philharmonie de Paris, Wigmore Hall in Londen, Alte Oper Frankfurt en Teatro Colón in Buenos Aires. Zijn meer dan 25 soloalbums omvatten veelgeprezen opnames van Rameau, Scarlatti, Bach (Goldbergvariaties), Beethoven (de drie laatste pianosonates), Chopin (24 Preludes) en het volledige pianowerk van Ravel. Tharauds leven als pianist is het onderwerp van de film Alexandre Tharaud : le temps dérobé (2013) van filmmaker Raphaëlle Aellig-Régnier en zijn eigen boeken Piano intime: conversations avec Nicolas Southon (2013), Montrez-moi vos mains (red. Philippe Rey, 2017) en Touché (Grasset, 2026).

toelichting

Tijdens hun recital vieren pianist Alexandre Tharaud en cellist Jean-Guihen Queyras dertig jaar muzikale zielsverwantschap. In een bijzonder kleurrijk programma maken ze een muzikale reis doorheen barok, romantiek en moderniteit, met componisten van Marais tot Poulenc en Debussy, van Brahms tot Berg en Britten. Met een voorkeur voor transcripties en repertoire dat de conventies van hun instrument probeert te doorbreken, dagen ze zowel de luisteraar als zichzelf uit.

 

Francis Poulenc - Suite française, d’après Claude Gervaise, op. 80

Met zijn Suite française duikt de Franse componist Francis Poulenc in de muziekgeschiedenis van zijn thuisland. Hij componeerde deze suite voor het theaterstuk La reine Margot van Édouard Bourdet, over de 16de-eeuwse koningin Margaretha van Valois, de eerste echtgenote van Hendrik IV. Om de periode waarin het verhaal zich afspeelt te evoceren, ontleende Poulenc het grootste deel van de muziek voor deze suite aan de renaissancecomponist Claude Gervaise, meer bepaald aan diens Livre de Danceries (1545).

De suite bestaat uit zeven Franse volksdansen, afwisselend levendig en rustig van karakter. Enkel het vierde deel is volledig origineel door Poulenc geschreven, de andere delen zijn transcripties en bewerkingen van de muziek van Gervaise. Daarmee past deze suite in de stroming van het neoclassicisme, die dominant was in het Parijs van Poulencs tijd: componisten imiteerden historische stijlen of citeerden letterlijk de muziekgeschiedenis, met enkele eigentijdse accenten die voor een vervreemdend effect zorgen. Voor Poulenc was deze stijl vooral een manier om terug te grijpen naar de eenvoud en helderheid van oude muziek, als reactie op modernistische stromingen. In enkele onverwachte harmonieën en chromatische versieringen herkennen we echter de moderne hand van Poulenc, net als in de eigenzinnige bezetting: behalve deze versie voor cello en piano bestaat het werk namelijk ook voor piano solo en voor blazersensemble met percussie en klavecimbel.

 

Johannes Brahms - Cellosonate nr. 1 in e, op. 38

Voor Johannes Brahms is de kamermuziek het genre bij uitstek waarin zijn muziektaal zich het best kan uiten. De Cellosonate in e dateert uit de eerste helft van de jaren 1860, een periode waarin Brahms een lijvige reeks kamermuziekwerken schreef, met ook twee strijksextetten, twee pianokwartetten en een hoorntrio. Wel is het zijn eerste werk voor piano en een solo-instrument, maar als geen ander weet Brahms de twee instrumenten meteen in perfecte balans tegenover elkaar uit te spelen. Veelzeggend is dat hij zijn werk zelf de titel “Sonate voor piano en cello” gaf, en bovendien in het voorwoord benadrukte dat de piano steeds een partner moet zijn, “soms leidend, soms oplettend en bedachtzaam, maar in geen geval louter begeleidend.”

Die balans is vanaf de eerste maten voelbaar. In het eerste deel laat Brahms het elegante, melancholische thema afwisselend door de cello en de piano verwerken. In het tweede deel, een menuet, zijn er zelfs momenten waarin de twee instrumenten elkaar imiteren. Hiermee is het de perfecte opmaat voor de finale, die immers begint als een fuga op een snel en levendig thema. Met deze fuga schakelt Brahms zichzelf in de traditie van die twee andere grote B’s: Bach als onbetwiste grootmeester van de fuga, en Beethoven die vooral in zijn late werk ook regelmatig naar de fuga greep als finale.

 

Miniaturen en fragmenten

In het tweede deel van hun recital maken Queyras en Tharaud aan de hand van miniaturen en fragmenten uit langere composities een reis door verschillende momenten uit de muziekgeschiedenis. Hun eerste halte is het Wenen van het begin van de 20ste eeuw, met de 4 Stücke van Alban Berg. Deze miniaturen, oorspronkelijk voor klarinet en piano, zijn Bergs enige experimenten met kleinschalige vormen. In tegenstelling tot zijn collega’s Arnold Schönberg en vooral Anton Webern, zou Berg zich altijd beter kunnen uitdrukken in grote vormen, waarvan getuige ook zijn bekende opera’s Wozzeck en Lulu. Nochtans bewijst Berg in deze vier aforismen ook zijn meesterschap over de kleine vorm. Door aspecten als timbre, speelwijze en dynamiek met minutieuze precisie te noteren bereikt Berg in slechts enkele minuten een enorme expressieve weelde, van de mysterieuze cellomelodie uit deel II tot de explosieve clusters in het diepe register van de piano aan het einde van deel IV.

Een kleine honderd jaar voordien kende in Wenen een uniek instrument een kortstondige populariteit: de arpeggione. Het instrument, uitgevonden in 1823, heeft de zes snaren en frets van een gitaar, maar wordt vastgehouden en gestreken als een cello. Een jaar na de uitvinding was het al zo populair dat Franz Schubert er een sonate voor componeerde, die sinds de arpeggione in onbruik raakte echter meestal wordt uitgevoerd op de cello. In het “Adagio” uit deze sonate, dat enigszins doet denken aan Scuhberts liederen, liet hij zich inspireren door de zangerige kwaliteiten van het instrument, al blijven die net zo goed bewaard in de versie voor cello.

Benjamin Britten liet zich op zijn beurt niet zozeer inspireren door een instrument zelf, maar door een van haar grootste meesters. Zijn Cellosonate in C componeerde hij namelijk voor Mstislav Rostropovitsj, een bekend vertolker van de muziek van Brittens goede vriend Dmitri Sjostakovitsj. Nadat Sjostakovitsj de cellist aan Britten voorstelde, schreef die niet alleen deze Cellosonate, maar ook zijn Cellosymfonie en drie cellosuites met Rostropovitsj in gedachten. In deze sonate onderzoekt Britten in elk van de delen een expressief of muzikaal aspect van de cello, zoals blijkt uit de evocatieve titels. In deel I (“Dialogo”) vertrekt Britten van een gestamelde, gefragmenteerde melodie in de cello, die de twee instrumenten verwerken in een virtuoze dialoog. Deel V is dan weer een “Moto Perpetuo”, een snel deel waarin een karakteristiek ritmisch motief voortdurend tussen de twee instrumenten wordt uitgewisseld.

Net als Francis Poulenc in zijn Suite française liet Claude Debussy zich voor zijn Cellosonate inspireren door oude muziek uit de Franse traditie. In de schaduw van de Eerste Wereldoorlog, die uitbrak in het jaar voordat Debussy deze sonate componeerde, was hij nadrukkelijk op zoek naar historische voorbeelden uit een periode voordat de Duitse invloeden van respectievelijk Mozart, Beethoven en Wagner dominant werden in Frankrijk. Een van de figuren waar Debussy ongetwijfeld op gebotst moet zijn, is Marin Marais, die eind 17de- begin 18de eeuw bekendstond als grootmeester van de viola da gamba, de barokke tegenhanger van de moderne cello. Om Debussy’s verwijzing naar de barok duidelijk te laten resoneren, gaat op dit programma een prelude uit een van de vele suites van Marais vooraf aan het eerste deel (‘Prologue’) van Debussy’s sonate. De gelijkenissen tussen de twee zijn treffend: luister bijvoorbeeld naar de pianoakkoorden waarmee beide stukken openen en naar de zoekende, improvisatorisch klinkende melodieën van de cello.

Componeerden Marais en Debussy onverwachte dubbelgangers, dan schreef Gabriel Fauré met zijn Sicilienne en Papillon twee stukken bijzonder verschillende miniaturen. Dit contrast creëerde hij zeer bewust, zij het niet in deze combinatie: Fauré componeerde Papillon namelijk op vraag van zijn uitgever als een virtuoze tegenhanger van de Élégie, op. 24, een andere compositie voor cello en piano. Virtuoos is Papillon inderdaad: de vliegensvlugge, fladderende cellolijn klinkt bijna als een voorloper van Rimsky-Korsakovs Vlucht van de hommel. Het contrast met de Sicilienne, een sobere en melancholische dans in een ternaire maat, kan bijna niet groter.

Na dit parcours doorheen de muziekgeschiedenis komen Tharaud en Queyras opnieuw thuis bij Johannes Brahms. Al ging Brahms zelf zijn inspiratie elders zoeken: de drie Hongaarse dansen op het programma baseerde hij immers op melodieën van de Hongaarse Roma. Met deze eerder lichte composities speelde Brahms in op de populaire smaak van zijn tijd. Hongaarse en andere dansen waren in 19de-eeuwse grootsteden een populair tijdverdrijf, en vele componisten lieten zich dan ook door Oost-Europese volksmelodieën verleiden. In deze arrangementen voor cello en piano komt de lichtvoetigheid van deze muziek sterk tot uiting: let bijvoorbeeld op de bijna fluitende toon waarmee de cello de speelse melodie van dans nr. 7 laat klinken.

 

Robbe Beheydt

Friends of Flagey

FELLOWS

Charles Adriaenssen, Bernard Darty, Paulette Darty, Marc Ghysels, Diane de Spoelberch, Omroepgebouw Flagey NV / Maison de la Radio Flagey SA

GREAT FRIENDS

Patricia Bogerd, Leon Borgerhoff, Monique Bréhier, Alexander Chadd, Marie-Irene Ciechanowska, Stephen Clark, Marixenia Davilla, Brigitte de Laubarède, Claude de Selliers, Chantal de Spot, Jean de Spot, Pascale Decoene, Alain Dromer, Jean Louis Duvivier, Gérard Gieux, José Groswasser, François Hinfray, Ulrike Hinfray, Patrick Jacobs, Ida Jacobs, Nicole Labouverie, Peter L’Ecluse, Jean-Pierre Marien, Ine Marien - De Cock, Monsieur & Madame André Mueller, Miriam Murphy, Sabine Overkämping, Martine Renwart, Martine Riviere, Jean-Pierre Schaeken Willemaers, Hans Schwab, My-Van Schwab, Didier Staquet, Maria Grazia Tanese, Coen Teulings, Pauline Teulings, Pascale Tytgat, Marie Van Couwenberghe, Colienne Van Strydonck, Piet Van Waeyenberge, Isabel Verstraeten, Andreas von Bonin, Katinka von Bonin, Dimitri Wastchenko, Nathalie Waucquez, Lidia Zabinski, Jacques Zucker

FRIENDS

Ann Arnould, Pierre Arnould, Boudewijn Arts, Carmen Atala, Alexandra Barentz, Gino Baron, Dominique Basteyns, Marijke Beauduin, Joe Beauduin, Etienne Beeckmans de West-Meerbeeck, Jens Benoot, Anne Marie Berlier, Pierre Billiet, Véronique Bizet, Dominique Blommaert, Beatrix Bourdon, Edwin Bourgeois, Noëlle Bribosia, Geneviève Brion, Gauthier Broze, Nicole Bureau, Chantal Butaye, Olivier Chapelle, Béatrix Charlier, Catherine Chatin, Jacques Chevalier, Anne-Catherine Chevalier, Marianne Chevalier, Angelica Chiarini, André Claes, Bénédicte Claes, Xhenis Coba, Theo Compernolle, Chris Coppije, Philippe Craninx, Vanessa Crapanzano, Pierre d’Argent, Regis D’hondt, David D’Hooghe, Suzannah D’Hooghe, Anna-Teresa D’Hooghe, Frederika D’Hoore, Stanislas d’Otreppe de Bouvette, Laure d’Oultremont, Etienne d’Ursel, Ludovic d’Ursel, Jean-Claude Daoust, Joakim Darras, Laurent de Barsy, François de Borman, Kathleen de Borman, Olivier de Clippele, Sabine de Clippele, Eric De Gryse, Pierre de Maret, Alison de Maret, Kristine De Mulder, Brigitte Desaive, Aline de Ville de Goyet, Sabine de Ville de Goyet, Dominique de Ville de Goyet, Françoise de Viron, Sebastiaan de Vries, Sonia de Waillet, Stéphane De Wit, Philippe de Wouters, Agnès de Wouters, Hendrik Deboutte, Gauthier Desuter, May Dewaet, Laurent Drion, Aurélie Drion, Kristin Edwards, Jan Eggermont, Marie Evrard, Dominique Favart, Philippe Feron, Catherine Ferrant, Véronique Feryn, Solene Flahault, Henri Frederix, Alberto Garcia-Moreno, Nathalie Garcia-Moreno, Brigitte Geerinckx, David Geeurickx, Nathalie Genard, Pierre Marie Giraud, Hélène Godeaux, Serge Goldman, Claire Goldman - De Vriendt, Frederick Gordts, Philippe Goyens, Eric Gubel, Charlotte Hanssens, Baron Xavier Hufkens, Luc Hujoel, Johan Huygh, Veerle Huylebroek, Françoise Jacques de Dixmude, Yvan Jansen, Patrick Kelley, Deborah Konopnicki, Delphine Lyskov-Saucier, Katina Laaksonen, Katrien Lannoo, Anne Lauwers, Christine Le Maire, Bernard Levie, Janine Longerstaey, Philippe Longerstaey, Carole Ludlow, Peter Ludlow, Peter Maenhout, Joost Maes, Vincent Maroy, Michèle Martaux, Barbara Mayer, Christel Meuris, Quinten Mintiens, Delphine Misonne, Jan Moijson, Paul Muyldermans, Claude Oreel, Nadia Pachciarski, Martine Payfa, Ivan Peeters, Ingeborg Peumans, Jean Pierre Rammant, Agnès Rammant-Peeters, Anne-Marie Retsin, Andre Rezsohazy, Daniele Rizzi, Ariële Robyns de Schneidauer, Marie-Laure Roggemans, Katrien Rots, Catherine Rutten, Frieda Scholliers, Désirée Schroeders, Marie-Agnes Servais, Brigitte Smeyers, François Smeyers, Annick Sondag, Edouard Soubry, Anne Véronique Stainier, Ana Maria Stan, Michèle Stevelinck Heenen, Jan Suykens, Frank Suykens, Frank Sweerts, Jean t’Kint de Roodenbeke, Danielle t’Kint de Roodenbeke, Mirthe Tavernier, Dominique Tchou, Olivier Thuysbaert, Jelleke Tollenaar, Yves Trouveroy, Beatrice Trouveroy, Françoise Tulkens, Vanessa Van Bergen, Marie-Paule Van Craynest, Els Van de Perre, Katrien Van de Voorde, Radboud van den Akker, Dirk Van den Bogaert, Isabelle Van der Borght, Odile van der Vaeren, Karine Van Doninck, Patrick Van Eecke, Henriëtte van Eijl, Michel Van Huffel, Alain Van Muylem, Lydie Van Muylem, Emmanuel Van Rillaer, Stephanie van Rossum, Thomas Van Waeyenberge, Titia Van Waeyenberge, Laura Van Waeyenberge, Carol Van Wonterghem, Marie Vandenbosch, Ines Hilde, Alain Vandenborre, Joanna Vandenbussche, Marie Vander Elst, Christophe Vandoorne, Elisabeth Vanistendael, Kaat Vanschoubroek, Alain-Laurent Verbeke, Catherine Verhaegen, Alexandre Verheyden, Anne Vierstraete, Ann Wallays, Sabine Wavreil, Christian Weise, Serge Wibaut, André Wielemans, Ana Zoe Zijlstra, Management and People Development SRL, Qubemi

en diegenen die anoniem wensen te blijven

versie 29.01.2026

Partners