Denis Kozhukhin
02.10.2026 - 20:15
programma
Joseph Haydn (1732-1809)
Pianosonate nr. 9 in D, Hob. XVI:4 (1765)
I. Moderato
II. Menuet
Pianosonate nr. 46 in E, Hob. XVI:31 (1774-76)
I. Moderato
II. Allegretto
III. Finale: Presto
Johannes Brahms (1833-1897)
6 Klavierstücke, op. 118 (1893)
I. Intermezzo in a: Allegro non assai, ma molto appassionato
II. Intermezzo in A: Andante teneramente
III. Ballade in g: Allegro energico
IV. Intermezzo in f: Allegretto un poco agitato
V. Romanze in F: Andante
VI. Intermezzo in bes: Andante, largo e mesto
PAUZE
Modest Moessorgski (1839-1881)
Schilderijententoonstelling (1874)
Promenade
I. Gnomus
Promenade
II. Il vecchio castello
Promenade
III. Tuilerieën
IV. Bydło (Ossenkar)
Promenade
V. Ballet van de kuikens in hun dop
VI. Samuel Goldenberg en Schmuÿle
Promenade
VII. Limoges, het marktplein
VIII. Catacombae: Sepulchrum romanum / Cum mortuis in lingua mortua
IX. De hut op kippenpoten (Baba Yaga)
X. De grote poort van Kiev
Einde van het concert: +/- 22:00
biografie
Denis Kozhukhin werd in 1986 geboren in Nizjni Novgorod. Hij begon zijn studies in zijn geboortestad en trok vervolgens naar Madrid, waar hij studeerde aan de Escuela Superior de Música Reina Sofía bij Dimitri Bashkirov en Claudio Martínez-Mehner. Vervolgens specialiseerde hij zich verder aan de International Piano Academy Lake Como en aan de Hochschule für Musik und Darstellende Kunst Stuttgart bij Kirill Gerstein. Zijn Eerste Prijs op de Koningin Elisabethwedstrijd in 2010 opende de deuren voor een internationale carrière. Sindsdien speelt Kozhukhin solorecitals, is hij een veelgevraagd kamermuzikant en soleerde hij onder andere met het London Symphony Orchestra, het Koninklijk Concertgebouworkest, het WDR Sinfonieorchester, San Francisco Symphony, Chicago Symphony Orchestra en NHK Symphony Orchestra. Daarbij stond hij in zalen zoals de Philharmonie de Paris, de Wiener Musikverein, de Philharmonie Berlin, Wigmore Hall in Londen en Carnegie Hall in New York. Op zijn discografie prijken onder meer de pianoconcerto’s van Tsjaikovski, Grieg, Ravel en Gershwin, naast werken voor piano solo van Haydn, Mendelssohn, Brahms en Prokofjev.
toelichting
Joseph Haydn – Pianosonate in D, Hob. XVI:4 & Pianosonate in E, Hob. XVI:31
Hoewel Joseph Haydn zo’n 60 pianosonates componeerde, is het een vrij onbekend deel van zijn oeuvre. Doorgaans worden ze overschaduwd door zijn veel prominentere bijdragen aan de symfonie en het strijkkwartet – twee genres waarvan hij als ‘vader’ wordt bestempeld. Bovendien verminderde zijn sonateproductie na 1780, precies in de jaren dat hij zijn grootste prestaties in die andere genres leverde. Toch zijn ook zijn sonates composities vol verbeeldingskracht, expressieve veelzijdigheid en de speelse humor die Haydn kenmerkt.
Voor welk instrument Haydn die sonates precies componeerde, is niet helemaal duidelijk. Aangenomen wordt dat de vroegere sonates (jaren 1760-70) in de eerste plaats voor het klavecimbel bedoeld waren. Sporadisch duiken er al dynamische aanwijzingen op die op de piano kunnen wijzen (het klavecimbel kan immers geen onderscheid maken tussen ‘piano’ en ‘forte’), maar doordat Haydn in de loop van zijn carrière steeds grotere expressieve contrasten in zijn sonates integreerde, wordt de piano uiteindelijk onvermijdelijk.
De Pianosonate nr. 9 in D, Hob. XVI:4 bestaat uit slechts twee (in plaats van de gebruikelijke drie) delen, een snel openingsdeel en een menuet. In het eerste deel zet Haydn de luisteraar meteen op het verkeerde been. Het speelse hoofdthema telt zeven in plaats van de verwachte acht maten, waardoor de muziek uitloopt op een verrassend abrupte stilte. Dat onschuldige grapje werkt als een energiestoot: na de korte onderbreking komt de muziek met hernieuwde vaart op gang. Een vergelijkbare speelsheid kenmerkt het menuet, waarin Haydn steeds voortbouwt op enkele korte ritmische motieven.
In de latere Pianosonate nr. 46 in E, Hob. XVI:31 is meer ruimte voor expressieve verscheidenheid. De sonate kan zowel voor het klavecimbel als voor de piano gecomponeerd zijn, maar alleen al het eerste deel bewijst dat de muziek het best tot zijn recht komt met de subtiele dynamische contrasten van de piano. De serene openingsmelodie in dalende, parallelle tertsen krijgt extra glans in een gevoelige piano-dynamiek en klinkt bij zijn terugkeer aan het einde nog intiemer dankzij de luide, expressieve uitbarsting die eraan voorafgaat.
In het tweede deel klinkt Haydn plots onverwacht dicht bij Johann Sebastian Bach. Het begint als een driestemmige inventie, en hoewel niet consequent doorgezet, blijft het barokke contrapunt wel het hele deel aanwezig.
Eindigen doet Haydn met een korte variatiereeks op een eenvoudig, opgewekt thema gekenmerkt door flamboyante trillers. Opvallend daarin is de tweede variatie, waarin de dalende parallelle tertsen herinneren aan het openingsthema van de sonate. Zo weet Haydn binnen een grote verscheidenheid toch een sterk gevoel van muzikale eenheid te scheppen.
Johannes Brahms – 6 Klavierstücke, op. 118
Hoewel Johannes Brahms zelf een begaafd pianist was, schreef hij relatief weinig solowerken voor zijn vertrouwde instrument. Na drie vroege sonates bleef de piano bleef de solopiano lange tijd in de marge van zijn oeuvre, maar in zijn laatste jaren wijdde hij nog vier opusnummers (op. 116-119) aan bundels korte composities in de romantische traditie van het lyrische klavierstuk. Daarmee maakt hij een evolutie door die tegengesteld is aan die van Haydn: waar Haydn een steeds breder expressief palet wilde bestrijken, plooide Brahms in zijn late pianowerk steeds verder terug in geconcentreerde vormen van eenduidige expressie. De meeste stukken uit deze late bundels dragen de bescheiden titel ‘Intermezzo’; zo ook vier van de zes delen uit Op. 118. Achter die terughoudende, misschien zelfs wat onderkoelde benaming schuilt echter een enorme muzikale en expressieve rijkdom.
Van de vier late bundels zijn de 6 Klavierstücke, op. 118 muzikaal misschien wel de meest veelzijdige. De eerste twee intermezzi zetten meteen de toon. Dramatische, breedvoerige gebaren overheersen in het eerste, terwijl het tweede intermezzo, een van Brahms’ bekendste meest geliefde pianostukken, baadt in verstilde melancholie. Het energieke derde deel (‘Ballade’) is dan weer grillig en rapsodisch, terwijl het vierde (‘Intermezzo’) evolueert van een ingetogen begin naar een uitbundige climax. Uit het vijfde deel (‘Romanze’) spreekt een zorgeloze tederheid, met in het midden zelfs iets wat klinkt als een wiegenlied. Toch krijgt de dramatiek het laatste woord: het slotdeel (opnieuw een intermezzo) ontwikkelt zich vanuit een eenstemmige melodie die doet denken aan het Dies irae, een melodie uit de gregoriaanse dodenmis die symbool staat voor de onvermijdelijke dood en zo een donkere ondertoon onder het heel deel legt.
Modest Moessorgski – Schilderijententoonstelling
Ondanks zijn korte leven en carrière drukte Modest Moessorgski (1839-1881) nadrukkelijk zijn stempel op de Russische muziek van zijn tijd. In opera's als Boris Godoenov en Chovansjtsjina ontwikkelde hij een melodische taal die nauw aansluit bij de natuurlijke cadans van de Russische spraak, waarmee hij bij aan een Russische nationale stijl. Zijn eigengereide stijl had echter ook in West-Europa een grote invloed op moderne ontwikkelingen: met name Claude Debussy en Maurice Ravel waren grote bewonderaars van Moessorgski’s werk. Die laatste zorgde er met zijn orkestratie bovendien voor dat Moessorgski’s bekendste werk, de Schilderijententoonstelling, niet alleen tot het vaste pianorepertoire ging behoren, maar ook als orkestwerk een vaste plaats op de concertprogramma’s verwierf.
De tiendelige suite Schilderijententoonstelling is een muzikale rondleiding langs een tentoonstelling die in 1874 in de Keizerlijke Kunstacademie van Sint-Petersburg plaatsvond, met werk van architect en schilder Viktor Hartmann. Elk van de tien delen brengt een ander beeld tot leven in muziek.
Daartussen keert telkens het Promenade-thema terug, dat de wandeling van de bezoeker door de tentoonstelling verbeeldt. De melodie verandert bij elke terugkeer subtiel van karakter, alsof de kuierende museumbezoeker eerst nog zijn indrukken laat nawerken tot het volgende schilderij zijn aandacht trekt. Een groot deel van de schilderijen en tekeningen die Moessorgski inspireerden ging verloren, maar misschien zorgt dat er net voor dat zijn muzikale verbeeldingskracht nog directer tot ons kan spreken.
De manier waarop Moessorgski die beelden in zijn muziek verwerkt varieert van vrij letterlijke uitbeeldingen tot abstractere of zelfs puur muzikale referenties. Zo imiteert de piano in ‘Gnomus’, het eerste deel, de grillige, slingerende bewegingen van een kabouterachtige figuur. In het vierde deel, ‘Bydło’ (‘Ossenkar’), suggereren de diepe bassen dan weer de zware tred van ossen, terwijl het vijfde deel (‘Ballet van de kuikens in hun dop’) barst van de springerige ritmes en kakelende melodieën. Subtieler is de evocatie van een oud kasteel in deel drie, ‘Il vecchio castello’: een aangehouden open kwint in de bas klinkt als de begeleiding van een middeleeuws troubadourslied.
Naar het einde van de suite toe wordt Moessorgski’s verbeeldingskracht steeds indringender. Het achtste deel ‘Catacombae’, geïnspireerd door de catacomben van Parijs, is een mooi voorbeeld van hoe muziek de innerlijke beleving van een beeld kan oproepen: de afwisseling tussen luide en zachte akkoorden suggereren een ervaring die pendelt tussen overweldiging en verstilling. In het slotdeel, ‘De grote poort van Kiev’, komen beeldende kracht en muzikale samenhang ten slotte samen. De grootse akkoorden verwijzen naar Hartmanns ontwerp voor een monumentale stadspoort in Kiev, terwijl Moessorgski de cyclus muzikaal afrondt door de majestueuze melodie af te leiden van het ‘Promenade’-thema.
Robbe Beheydt