Leonkoro Quartet
02.06.2026 - 18:30
programma
Joseph Haydn (1732-1809)
Strijkkwartet nr. 64 in D, op. 76/5, Hob. III : 79 (1797-98)
I. Allegretto – Allegro
II. Largo cantabile e mesto
III. Menuetto. Presto
IV. Finale. Allegro spiritoso
Henriëtte Bosmans (1895-1952)
Strijkkwartet (1927)
I. Allegro molto moderato
II. Lento
III. Allegro molto
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Strijkkwartet nr. 2 in a, op. 13 (1827)
I. Adagio – Allegro vivace
II. Adagio non lento
III. Intermezzo: Allegretto con moto – Allegro di molto
IV. Presto – Adagio non lento
Einde van het concert: +/- 19:30
Dit concert wordt opgenomen door Klara en uitgezonden op 11 juni om 20:00.
biografie
Het Leonkoro Quartet werd in 2019 opgericht in Berlijn. De broers Jonathan (eerste viool) en Lukas Schwarz (cello) vormen de ruggengraat van het kwartet, Emiri Kakiuchi (tweede viool) en Mayu Konoe (altviool) nemen de middenstemmen voor hun rekening. De naam ‘Leonkoro’, Esperanto voor ‘leeuwenhart’, verwijst naar het kinderboek De gebroeders Leeuwenhart van Astrid Lindgren: net als dat boek zoekt het kwartet steeds naar een repertoire waarin duisternis en troost naast elkaar bestaan. Het kwartet volgde specialisatieopleidingen kamermuziek aan de Musikhochschule Lübeck en de Escuela Superior de Música Reina Sofía onder begeleiding van leden van het Artemis Quartet en het Alban Berg Quartett. Het Leonkoro Quartet ontving enkele prestigieuze prijzen, waaronder de Eerste Prijs op de Wigmore Hall International String Quartet Competition (2022), de Eerste Prijs en Publieksprijs op het Concours international de quatuors à cordes de Bordeaux (2022) en de LOTTO-Förderpreis van het Rheingau Musik Festival (2025). Daarnaast staat het regelmatig op grote internationale podia als de Berliner Philharmonie, Concertgebouw Amsterdam, het Wiener Konzerthaus, Carnegie Hall in New York en Toppan Hall in Tokio. Het debuutalbum van het Leonkoro Quartet, met strijkkwartetten van Ravel en Schumann, verscheen in 2023 bij Mirare. In januari 2026 bracht het kwartet bij Alpha Classics hun recentste album Out of Vienna uit, met werken van Alban Berg, Erwin Schulhoff en Anton Webern.
toelichting
Joseph Haydn - Strijkkwartet in D, op. 76/5 “Friedhofsquartett” / “Largo-Quartett”
De uitzondering bevestigt de regel: vaak is het een dooddoener om ongewenste afwijkingen onder de mat te vegen, maar in het geval van Joseph Haydn was het een drijfveer van zijn creatieve proces. Als “vader van het strijkkwartet” zette hij in zijn werk de standaard voor het genre, maar geleidelijk aan lapte hij zijn eigen normen steeds vaker aan zijn laars. Dankzij zijn verdiensten werd het strijkkwartet vanaf de jaren 1760 en ’70 immers een van de populairste genres op de Weense muziekmarkt, waardoor muzikale vindingrijkheid voor Haydn steeds meer hét kenmerk bij uitstek werd waarmee hij zich kon blijven onderscheiden. Al deed hij het wellicht ook voor zijn eigen vermaak: volgens collega-componist Muzio Clementi zat Haydn tijdens uitvoeringen van zijn geestigere werk regelmatig te “lachen als een dwaas”…
In de zes kwartetten van het op. 76 bereikt Haydns inventiviteit en stilistische rijkdom een hoogtepunt. Haydn componeerde deze kwartetcyclus in 1797, op een moment waarop hij het genre van de symfonie al achter zich gelaten had en dus al zijn creativiteit kon voorbehouden voor zijn strijkkwartetten. In het Strijkkwartet in D, op. 76/5 laat Haydn een van de eenvoudigste manieren horen om tegen conventies in te gaan: ze volledig omkeren. In zekere zin is dat al aan de hand in het openingsdeel. Het dansante hoofdthema wordt verwerkt in een soort variatiereeks - een vorm die zelden als eerste deel voorkomt - en heeft bovendien een eenvoud die beter bij een finale dan bij een openingsdeel past. Het ietwat gezapige tempo spreekt dat gevoel nog enigszins tegen, maar naar het einde toe verandert ook dat: bij de laatste inzet van het thema versnelt het tempo en zet een snelle begeleidingsfiguur in de altviool dat nog eens extra in de verf. Het deel werkt zo toe naar een climax die net zo goed het hele kwartet had kunnen afsluiten - je bent bijna verbaasd wanneer het tweede deel alsnog wordt ingezet.
Die verbazing wordt nog versterkt door de totale stijlbreuk in dat tweede deel (“Largo”), waarin de lichte toon verandert in “zangerig en treurig”. De melancholie overheerst, en zowel leed als troost klinkt door in de expressieve harmonieën en in de melodie, die geleidelijk zachter wordt en uiteindelijk in waardigheid uitdooft. Om die reden werd het deel vaak apart gespeeld op begrafenissen, waardoor het kwartet de bijnaam “Friedhofsquartett” kreeg.
In het menuet pikt Haydn de luchtige toon weer op: het elegante thema wordt regelmatig uit balans gebracht door onregelmatige accenten en ritmes die de luisteraar op het verkeerde been zetten. De finale speelt dan weer opnieuw met omkering: het eerste wat we horen is immers een herhaalde cadensformule die je op het absolute einde zou verwachten. Gedurende de hele finale blijft deze slotformule regelmatig opduiken, zodat je het bijna niet gelooft wanneer deze ook effectief het kwartet afsluit.
Henriëtte Bosmans - Strijkkwartet
In betere omstandigheden was Henriëtte Bosmans misschien wel de geschiedenis ingegaan als een van de belangrijkste Nederlandse componisten van haar tijd. Als solopianiste bouwde ze in de jaren 1920 en ’30 een stevige reputatie op in het Amsterdamse Concertgebouw, en ook als componiste timmerde ze aan de weg met onder meer twee celloconcerto’s in de vroege jaren ’20. Als vrouw kon ze echter niet altijd op veel erkenning rekenen voor haar werk, en toen haar internationale doorbraak er eind jaren ’30 toch leek te komen, stond de Tweede Wereldoorlog voor de deur. Door haar Joodse afkomst werd ze vanaf 1941 uit het Concertgebouw geweerd, een jaar later werd haar volledig verboden om publiek op te treden. Na de oorlog kwam ze wel nog op een nieuw elan: in korte tijd componeerde ze tal van liederen voor mezzosopraan Noémie Perugia en in 1951 werd ze zelfs Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Helaas sloeg ook toen het noodlot toe: in 1952 overleed ze aan een maagkanker die door een medische fout over het hoofd werd gezien.
Het Strijkkwartet (1927) is een van de eerste werken waarin Bosmans haar eigen idioom vond. Haar vroegere composities werden vooral beïnvloed door de Duitse romantiek en door Debussy, maar via lessen bij Willem Pijper, destijds de belangrijkste componist in Nederland, vond ze een modernere, eigen stijl in de richting van componisten als Stravinsky, Bartók en Milhaud. Haar muziek klinkt dan ook impressionistisch in de melodische souplesse en harmonische verbeeldingskracht, maar tegelijk modern in de manier waarop ze melodieën en ritmes opstapelt tot een intrigerend lijnenspel.
Het eerste deel van het Strijkkwartet illustreert dat: de altviool zet een lyrische melodie in, die vervolgens door het hele kwartet wordt voortgezet. Daarna gaat elk instrument zijn eigen weg en ontvouwt het deel zich op het spanningsveld tussen momenten waarop de vier instrumenten samenkomen en opnieuw uit elkaar drijven. De textuur van het tweede deel is transparanter, met een klaaglijke melodie in de eerste viool boven uiterst expressieve harmonieën. Het snelle slotdeel vangt dan weer aan met een geprononceerd hoofdthema dat als een raket de lucht in schiet, begeleid door een opzwepend ritmisch motief dat voortdurend op de achtergrond aanwezig blijft.
Felix Mendelssohn - Strijkkwartet nr. 2 in a, op. 13
Al op jonge leeftijd was Felix Mendelsohn een erg bedrijvig componist. Zijn eerste composities schreef hij nog voor zijn tiende, zijn eerste gepubliceerde werk, een pianokwartet, volgde op zijn dertiende. In dat opzicht is het net iets minder verrassend dat hij zich al op achttienjarige leeftijd een Tweede strijkkwartet op zijn naam schreef. Weliswaar is het enkel op papier zijn tweede: het ‘eerste’ kwartet schreef hij twee jaar later, maar werd eerder gepubliceerd. Toch toont het hoeveel zelfvertrouwen en ambitie Mendelssohn als componist had - ter vergelijking: Ludwig van Beethoven wachtte tot zijn dertigste om zijn eerste kwartetverzameling te publiceren.
De vergelijking met Beethoven is niet willekeurig: Mendelssohn componeerde dit kwartet namelijk in 1827, slechts enkele maanden na Beethovens dood. Als eerbetoon liet Mendelssohn zich dan ook sterk inspireren door Beethovens late strijkkwartetten, die Mendelssohn diep fascineerden. Een van de meest opvallende verwijzingen naar Beethoven is al terug te vinden op de titelpagina. Onder de titel schrijft Mendelssohn een muzikaal motto neer, net zoals Beethoven het slotdeel van zijn laatste strijkkwartet (nr. 16 in F) laat voorafgaan door een motief met de tekst “Muß es sein? Es muß sein!” als motto. Bij Mendelssohn gaat het bovendien om een zelfcitaat: het motief is afkomstig uit zijn lied “Frage” (op. 9, nr. 1), met ook een vraag als tekst: “Ist es wahr?”
Qua sfeer sluit Mendelssohns Tweede strijkkwartet misschien beter aan bij Beethovens gepassioneerde middenperiode dan bij de existentiële, introspectieve late kwartetten. Het eerste deel begint nog lyrisch met een langzame inleiding in La groot, die uitloopt in het “Ist es wahr?”-motief dat als een open vraag blijft hangen. Al snel barst er echter een vurig thema in de eerste viool los dat de dramatische sfeer van het hele deel bepaalt en de toon zet voor de rest van het kwartet.
Het langzame tweede deel verwijst nog duidelijker naar het voorbeeld van Beethoven. Na een zangerige melodie zet de altviool plots een fuga in, met een sierlijk thema dat door de andere instrumenten een voor een geïmiteerd wordt. Ook Beethoven gebruikte in zijn latere werk regelmatig fuga’s; denk bijvoorbeeld aan de Große Fuge voor strijkkwartet.
Het “Intermezzo” als derde deel laat de schaduw van Beethoven even naar de achtergrond verdwijnen. In het lichtvoetige, haarfijne thema van de eerste viool, met pizzicatobegeleiding van de andere strijkers, herkennen we vooral de eigen stijl van Mendelssohn zoals hij die hanteerde in feeërieke muziek als de suite bij Midsummer Night’s Dream.
De finale daarentegen drijft de dramatiek vanaf het eerste moment op de spits. Tegen een achtergrond van tremoli in de drie onderste strijkers speelt de eerste viool een melodie die klinkt als een wanhopig operarecitatief. Het recitatief gaat over in een al even rusteloos, geagiteerd hoofdthema dat steeds onderbroken wordt door herinneringen aan het fugathema uit het tweede deel en het recitatief aan het begin. Uiteindelijk strandt de muziek opnieuw in een verstild recitatief, dat uitmondt in een laatste terugverwijzing: op het einde keert de langzame inleiding van het openingsdeel terug en vindt het vragende “Ist es wahr?”-motief eindelijk zijn verlossende antwoord.