Flagey
Lukas Sternath
Thomas Rabsch

Lukas Sternath | programmaboekje

dinsdag 21 april 2026 | 18:30

programma

Franz Liszt (1811-1886)

Uit Harmonies poétiques et religieuses, S 173 (1840-53):

VII. Funérailles

 

Franz Schubert (1797-1828)

Pianosonate nr. 21 in Bes, D 960 (1828)

I. Molto moderato
II. Andante sostenuto
III. Scherzo: Allegro vivace con delicatezza – Trio
IV. Allegro ma non troppo – Presto

 

Einde van het concert: +/- 19:30

biografie

Het leven van de Oostenrijkse pianist Lukas Sternath draaide al vroeg om muziek. Als kind reisde hij de wereld rond met de Wiener Sängerknaben op tournees door Europa, Noord-Amerika en Azië. Nadien studeerde hij piano aan de Universität für Musik und darstellende Kunst Wien bij Anna Malikova en Alma Sauer, en aan de Hochschule für Musik, Theater und Medien Hannover bij Igor Levit en Paul Lewis. In 2022 maakte hij indruk op de Internationaler Musikwettbewerb der ARD in München, waar hij naast de Eerste Prijs ook onder meer de Publieksprijs en de Prijs voor beste uitvoering van het opdrachtwerk kreeg. Als solist werkte hij samen met orkesten als het Mozarteumorchester Salzburg, het SWR Symphonieorchester, de Münchner Philharmoniker en de Wiener Philharmoniker, en met dirigenten als Ádám Fischer, Patrick Hahn, Giedrė Šlekytė en Andrés Orozco-Estrada. Met zijn solorecitals was hij onder meer te horen in de Elbphilharmonie Hamburg, Tonhalle Zürich, Gewandhaus Leipzig en op het Ruhr Piano Festival. Sternath werd in seizoen 2024-2025 benoemd tot ECHO Rising Star en behoort tussen september 2025 en december 2027 tot de BBC New Generation Artists. Dit seizoen is hij ‘Künstler im Fokus’ bij de Wiener Musikverein, waar hij zijn eigen concertcyclus cureert.

toelichting

In niet meer dan twee composities presenteert de Oostenrijkse pianist Lukas Sternath een programma vol emotionele contrasten. Strijdlust en diepe treurnis wisselen elkaar af in Funérailles van Franz Liszt, een aangrijpend eerbetoon aan zijn vrienden die het leven lieten tijdens de mislukte Hongaarse Revolutie. In Schuberts Pianosonate nr. 21, die zijn laatste zou blijken te zijn, overheerst contemplatie en gaan de felle uitbarstingen op in een sfeer van melancholie en verstilling.

 

Franz Liszt - Funérailles (1849)

Funérailles is een van de bekendste stukken uit de pianocyclus Harmonies poétiques et religieuses van Franz Liszt. Zoals de titel aangeeft, vatte Liszt dit stuk op als een dodenmars. Vanwege de ondertitel “Oktober 1849” wordt Funérailles vaak geïnterpreteerd als een hommage aan Liszts landgenoten die omkwamen tijdens en na de mislukte Hongaarse Revolutie van 1848. Deze onafhankelijkheidsstrijd van de Hongaren werd neergeslagen door de Oostenrijkse machthebbers, en in de nasleep werden op 6 oktober 1849 - de datum waar Liszt allicht naar verwijst - verschillende leiders van de revolutie geëxecuteerd, onder wie ook enkele vrienden en kennissen van Liszt. Een expliciete verwijzing naar de Hongaarse Revolutie geeft Liszt weliswaar niet: hoewel hij de nationale strijd van de Hongaren steunde, zou hij zich pas vanaf de jaren 1850 gaan verdiepen in de cultuur van zijn land van oorsprong en ook elementen uit de Hongaarse volksmuziek in zijn composities verwerken.

Erg Hongaars klinkt Funérailles dus nog niet, maar de verwijzing naar een dodenmars is vanaf de eerste maten onmiskenbaar. Het stuk opent met een imitatie van klokkengelui in het diepste register van de piano. Na een korte stilte komt er een sombere treurmars op gang, met een melodie die vanuit het basregister langzaam opstijgt en aan intensiteit wint. Deze treurmars mondt uit in een lyrische, melancholische ‘lagrimoso’-melodie, die lijkt toe te werken naar een overweldigende climax. Uiteindelijk houdt de melodie toch in om plaats te maken voor een triomfantelijke militaire fanfare, gedragen door een voortstuwende begeleiding. Toch is het niet de heroïek die overwint: dramatischer dan ooit keert de treurmars terug. Wanneer in de laatste maten de strijdfanfare terugkeert, volgt er geen heldhaftige explosie, maar valt het stuk stil in gedesillusioneerde, zachte staccato-akkoorden. Liszt is de moed van zijn gevallen landgenoten niet vergeten, maar rouw en desillusie overheersen.

 

Franz Schubert - Pianosonate in Bes, D 960 (1828)

Waar Liszt in zijn korte pianowerk scherpe emotionele contrasten opzoekt, baadt Schuberts monumentale laatste pianosonate in een continue sfeer van contemplatie, melancholie en berusting. Schubert componeerde deze Pianosonate in Bes in september 1828, nauwelijks een tweetal maanden voor zijn dood.

Het is dan ook moeilijk om de verstilde, bijna onthechte toon van dit laatste pianowerk los te zien van die biografische context. Robert Schumann, een van de vroegste pleitbezorgers van Schuberts muziek, laat zich in zijn essay over Schuberts drie laatste sonates leiden door die interpretatie: “Deze sonates komen mij opvallend anders voor dan zijn andere: ze zijn veel eenvoudiger, doen vrijwillig afstand van schitterende nieuwigheden, en spinnen elk muzikaal idee lang uit […]. Alsof er geen einde aan kan komen, kabbelt de muziek zangerig van bladzijde tot bladzijde voort, hier en daar onderbroken door hevigere opwellingen die echter snel weer tot rust komen. Of mijn oordeel misleid is door het beeld van zijn ziekte, laat ik over aan nuchterder geesten. Zo heb ik ze in ieder geval ervaren.”

Het eerste deel opent met een serene, breed uitwaaierende melodie die de toon zet voor de hele beweging. De rust wordt slechts subtiel doorbroken door een mysterieuze, stille triller diep in de bas, een aankondiging van de harmonische omzwervingen die de muziek in de rest van het deel zal maken. Zelfs wanneer Schubert daarbij in de loop van dit openingsdeel kortstondige dramatische contrasten introduceert, blijft de verstilling die de muziek van in het begin uitstraalt intact. Schumanns woorden zijn misschien wel nergens toepasselijker dan in dit openingsdeel: elke onderbreking, elke rimpeling versterkt alleen maar de schijnbaar eindeloze stroom waarop de muziek zich voortbeweegt.

Het tweede deel, een langzaam “Andante sostenuto” in mineur, voegt met zijn sombere melodie een melancholische ondertoon toe aan de sfeer van het openingsdeel. Toch overheerst ook hier de berusting: de middensectie klinkt als een lieflijke, lyrische pianominiatuur, en aan het einde moduleert de muziek zelfs naar majeur.

Een scherper contrast vinden we in het lichte, speelse scherzo. Uit dit derde deel spreekt een bijna onbezorgde vrolijkheid, met een elegant thema dat afwisselt tussen het hoge en lage register boven een dansante begeleiding.

De finale verenigt ten slotte de speelse sfeer van het scherzo met de sereniteit van de eerste beweging. Een levendig rondothema dat steeds terugkeert fungeert als gids langs contrasterende passages naar het zorgeloze einde. Analoog aan de diepe triller uit het eerste deel klinkt hier voorafgaand aan elke terugkeer van het rondothema een nadrukkelijke lage sol in octaven, maar uiteindelijk gaat ook dit verstorende element op in de verstilde, losgezongen sfeer. Zo besluit ook Schumann over Schubert: “Goedgezind, luchtig en opgewekt sluit hij af, alsof hij de dag nadien weer opnieuw zou kunnen beginnen.”

 

wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Ga naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief